Door een kwaliteitsbril naar aapjes kijken

09 oktober 2018
Het Kwaliteitsnetwerk MBO organiseerde een congres over het thema ‘Kijken, zien en reflecteren, samenwerken aan leren’. Datum (Dierendag) en locatie (Apenheul) waren bewust gekozen. We kunnen namelijk, ook als het om kwaliteitsverbetering in het mbo gaat, veel leren van dieren. Verslag van een dag aapjes kijken.

‘Kwaliteit leeft!’ Ziedaar de openingswoorden van Bert Beun, voorzitter van de Stichting Kwaliteitsnetwerk MBO. Dit netwerk bestaat uit inmiddels 55 mbo-instellingen die samen werken aan de verbetering van kwaliteit van onderwijs en examinering. De stichting ondersteunt scholen, door regelmatig audits te houden, trainingen te geven en bijeenkomsten te organiseren. Bert Beun – die aan het eind van de dag de voorzittershamer overdraagt aan Peter van Mulkom – kondigt de eerste hoofdspreker aan: Patrick van Veen, analyticus, bioloog, gedragswetenschapper, maar bovenal begenadigd verteller. Van Veen is deskundige op het gebied van oergedrag en neemt ons mee in de wereld van de primaten die zich op een steenworp afstand van de congreslocatie bevinden: we zijn immers in het conferentiezalencomplex van Apenheul.

Manager, vlooi eens wat meer!
Wie een groep primaten goed observeert, kan veel leren over gedrag, aanpak en leiderschap, zo onderstreept Van Veen. Het verbeteren van kwaliteit is sterk gedragsafhankelijk. Wil je stappen zetten, dan dien je vaak het gedrag in je organisatie te beïnvloeden. En dat kan alleen als je het gedrag begrijpt. Zelfherkenning is een sleutelwoord. Van Veen illustreert dit in woord en beeld door een aantal fraaie staaltjes apengedrag te vertalen naar mensengedrag. Neem het bekende ‘vlooien’. ‘Dat is voor apen de manier om elkaar aandacht te geven’, legt Van Veen uit. Vaak is er geen vlo in zicht, maar door al plukkend met elkaar bezig te zijn groeit het vertrouwen. ‘Hetzelfde als even samen koffie drinken’, aldus Van Veen. ‘Als je als leidinggevende op zo’n manier even aandacht besteedt aan je medewerker, verstevigt dit de onderlinge band’. Hierdoor durft de medewerker meer initiatief te tonen en met ideeën te komen. En dat zijn weer bouwstenen voor kwaliteitsverbetering.

Spiegel
Steeds blijkt de wijze waarop de apen zich in hun leefgroep gedragen een spiegel te zijn van hoe wij, de mens, ons in onze organisatie bewegen. Daarbij geldt: de ene apensoort is de andere niet. Er is een grote diversiteit aan managementstijlen. Bij de chimps zien we bijvoorbeeld een typische alfaman rondparaderen, nauwlettend in de gaten gehouden door een tweede mannetje dat de macht wil grijpen. De werkelijke macht ligt echter bij een derde aap, die ervoor zorgt dat de baas zich echt de baas kan voelen. Deze adjudant verricht hand- en spandiensten in ruil voor goede arbeidsvoorwaarden – dat is bij apen het beste eten en de meeste vrouwtjes. En als er paniek uitbreekt – er staat een pluche leeuw aan de overkant van het water – houden de mannetjes zich afzijdig: het management is te druk met zichzelf bezig.

Hoe anders is het bij de bavianen gesteld! Daar heb je wisselende leidersgroepen. Steeds als er een bepaalde expertise of competentie nodig is, kruipt een baviaan met deze eigenschap achter het stuur. Natuurlijk: er is een topmanager aanwezig. Maar het verzamelen van voedsel is toch echt dé expertise van de oudere wijfjes. De topmanager beseft dit en laat zo ook anderen excelleren.

Aardappels wassen
Van Veen trakteert ons op nog meer herkenbare managementtypes, organisatieculturen en ‘menselijk’ gedrag. Zo toont een onderzoek uit Japan dat omgaan met nieuwe situaties met name jongeren goed ligt. Bij het onderzoek kregen makaken zoete aardappels te eten die in het zand werden gestopt. Iedereen propte de zanderige aardappel in de mond. Op één jong aapje na, dat de aardappel ging wassen. Zijn leeftijdsgenoten gingen hem na-apen, daarna volgde zijn familie en de rest. Alleen de leiders zaten op het laatst nog met hun mond vol zand: zij keken de hele tijd alleen naar elkaar…

Niet alleen op het witte doek en in de woorden van Van Veen leren we de apen – en daarmee onszelf – beter kennen. In groepjes gaan de deelnemers naar buiten om een half uur onder begeleiding van een expert bij diverse apensoorten te gaan kijken en een half uur zelf rond te lopen voor een foto-opdracht: maak met je groep een foto van gedrag dat je graag in jouw onderwijsorganisatie terug wil zien. Bij het tonen van een selectie – waaruit een winnaar wordt gekozen – valt het op dat de groepjes weinig apen hebben vastgelegd: we spiegelen ons, althans voor deze opdracht, kennelijk toch liever aan onszelf.

Dialoog
Na de pauze zijn er vijf workshops rondom vier invalshoeken: het opleiden, leren in de praktijk (rijke leeromgevingen), de kwaliteitscultuur en de ruimte voor onderwijsteams. Deze thema’s worden steeds belicht vanuit de kijk van de docent, de (opleidings)manager, de diensten, de bestuurder, de overheid en natuurlijk de student. De invalshoeken zijn bij de vorige conferentie met elkaar benoemd en geven richting aan het activiteitenprogramma van het Kwaliteitsnetwerk. Na de workshops volgt nog een afsluitend tafelgesprek. Bert Beun reflecteert op het programma. Daarbij staat hij uiteraard ook stil bij de stappen die het mbo de laatste jaren heeft gezet als het om kwaliteitsverbetering gaat. ‘We zijn van “een programma volgen” naar “samen een programma samenstellen” gegaan, van afvinklijstjes naar een echte dialoog’, aldus Beun.

Initiatief
Inge Vossenaar, directeur mbo van het ministerie van OCW, voegt daaraan toe dat ook zij een duidelijke verbetering ziet en hoopt dat de scholen de stijgende lijn kunnen vasthouden. Om dat te realiseren is het voor elke school belangrijk om in het kwaliteitsplan thema’s op te nemen die echt bij de school passen. Daarbij is het goed de ruimte te zoeken die de regels bieden. ‘Als je je verschuilt achter de regel van een ander, blijft ’t initiatief weg’, stelt Vossenaar.

Lees ook de column van scheidend voorzitter Bert Beun over het congres