‘Als je in het onderwijs zit, kun je altijd debatteren’

20 november 2019
Tijdens de vele lezingen en presentaties van het dagprogramma van de Dag van het mbo krijg je met name in de dying seconds, tijdens het traditionele vragenrondje, de gelegenheid je stem te laten horen. Bij de vijf Lagerhuisdebatten heb je echter volop de kans een mening te ventileren. En dat gebeurde. Met volle banken, scherpe oneliners en opvallend veel ‘recidivisten’: deelnemers die dit onderdeel zo leuk vinden, dat ze meerdere sessies bijwonen.

Scherp een mening poneren is een fraaie oefening in welsprekendheid, een kunst die al in de klassieke oudheid werd beoefend. Het is ook een mooie manier om een thema eens vanuit een ander perspectief te bekijken. Want in het debat mag je – for the sake of argument – ook een mening verdedigen die niet de jouwe is. Je speelt de rol van voor- of tegenstander. Dat gaat tijdens de Dag van het mbo als volgt: na een korte inleiding van een expert van het ministerie van OCW, mag de rechterkant starten met een openingsstatement. De mensen die hier zijn gaan zitten, vertegenwoordigen het ‘ja’-kamp. De tegenstanders, gezeten aan de linkerkant, mogen reageren. Daarna ligt de bal weer in het andere kamp, enzovoort.

Het is, zoals gespreksleider Jordy Sweep (het Debat Bureau) stelt, geen vrijwillig spel, want het gaat om serieuze onderwerpen. Vier van de vijf stellingen zijn ingebracht door OCW; de laatste stelling is van het Kennispunt MBO burgerschap (MBO Raad). Vergaarde input wordt onder meer gebruikt voor de Strategische Verkenning van OCW, een visie op de toekomst van het onderwijs die alvast voor het volgende kabinet wordt opgesteld. Dan kom je al gauw uit op stevige thema’s. Maar daar kunnen de aanwezige debaters wel mee uit de voeten. ‘Als je in het onderwijs zit, kun je altijd debatteren’, stelt een van de deelnemers.

Bij het eerste debat (stelling: De toepassing van digitalisering in het mbo moet veel sneller) is er nauwelijks sprake van polarisatie. Uit het ‘nee’-kamp komen aardig wat ‘ja’-gekleurde antwoorden. Er is weinig strijd, al krijgt een deelnemer die meldt dat studenten in de zorg toch nog steeds moet leren bloed te prikken, het gegeven om de oren dat robots inmiddels beter kunnen prikken dan mensen. Zaak is vooral om studenten kennis bij te brengen hoe ze om kunnen gaan met de technologie. ‘We kunnen studenten beter opleiden tot eerstegraads mensen dan tot tweedegraads robots’, zo luidt een van de slotconclusies.

Bij het tweede debat (stelling: Gedwongen sluiten of fuseren van scholen door de overheid is bij krimp een goed idee) schiet zowel het voor- als tegenkamp fel uit de startblokken en onderstrepen beide kanten hun standpunt met dik aangezette lijnen. Aan tinten grijs doen we nu niet. De ene kant roept zelfs dat het hele ROC moet verdwijnen, in ruil voor een Nationaal Opleidingscentrum. Het ‘nee’-kamp hekelt overheidsbemoeienis en koestert alle ROC’s. ‘Een school sluiten is desastreus voor de omgeving’, stelt iemand. De voor- en tegenargumenten vliegen je om de oren; het inhaken op en onderuit schoffelen van elkaars argumenten wordt hier tot kunst verheven. Het zoeken naar nuances en het nader tot elkaar komen geschiedt pas in de nabeschouwing. ‘Het is goed voor je meningsvorming om het eens van een andere kant te bekijken’, stelt een van de deelnemers. Het is hersensgymnastiek die je echt verder kan helpen.

Bij de derde sessie zijn alle stoelen al vijf minuten voor aanvang bezet. Aan de zijkant staan belangstellenden die helaas te laat waren om deel te mogen nemen. Het onderwerp is dan ook hot: flexibel mbo. Dat ‘flexibel’ blijkt vele aspecten te hebben. Er is daarom bewust gekozen voor een brede stelling: Om echt maatwerk te kunnen leveren voor studenten en werkgevers is verdere flexibilisering van het mbo noodzakelijk. Een brede stelling impliceert echter dat ook de discussie breed uitwaaiert. Een eenduidige definitie van ‘flexibilisering’ ontbreekt, waardoor het de ene keer gaat over de meerwaarde van veelzijdig opleiden (dan ben je breed inzetbaar) en even later over de flexibilsering van werkvormen. Het is duidelijk een onderwerp waarover het debat nog veel langer gevoerd mag worden.

Daar is echter geen tijd voor, want debatronde 4 staat op het programma, met de stelling: Als de school tijdelijk geen optie is, moeten de docenten uitgevallen jongeren helpen in het begeleiden naar werk. Ook hier zit de zaal weer vol en is de discussie levendig. Vooral als het gaat om de rol die docenten kunnen spelen. Er zijn zelfs Britse taferelen: rumoer, gejoel en gejuich na elke reactie. Iemand in het ‘ja’-kamp stelt dat de docent degene is ‘die dit in de kern het minst slecht kan’ en vindt dat docenten best ver mogen gaan in die hulp. Maar ‘aan het handje meenemen naar het UWV’ is weer een stap te ver. Een ander wil graag helpen, maar heeft daar geen tijd voor, want de werkdruk is te hoog. Bovendien is de docent hier niet voor opgeleid. ‘Laten we het bij signaleren en verwijzen houden’, stelt iemand. ‘Eigenlijk vinden we allemaal hetzelfde’, concludeert een van de deelnemers in de nabeschouwing. ‘We hebben alleen een andere interpretatie van wat “helpen” betekent.’ En zo komt ook dit debat tot een einde.

De stelling in de laatste ronde is ingebracht door het Kennispunt MBO burgerschap (MBO Raad). Twee practoren, Koen Vos en Chris Holman, houden een inleidend praatje bij de stelling Burgerschapsvorming (kennis, vaardigheden en attitude) moet meer gestuurd worden door de overheid. Daarna nemen zij ook deel aan het debat. ‘De overheid moet burgerschapsonderwijs niet nog meer aandikken’, vindt Vos. ‘Het is al duidelijk genoeg wat er nodig is om van studenten betrokken burgers te maken. Daar hebben we geen overheidsregels voor nodig. We zijn zelf mans genoeg.’ Holman ziet het net wat anders: ‘Je moet inderdaad zorgen voor vrijheid – en die is er genoeg – maar ook voor grenzen om iets van de grond te krijgen. Aan die kaders ontbreekt het nu.’ Het is voer voor verdere discussie, met pittige uitspraken. Een deelnemer zegt van sturing een ‘jeukerig totalitair systeem’-gevoel te krijgen. Een ander hekelt de afvinkcultuur; een derde oppert dat als de overheid sturing gaat geven, het vooral over kennis zal gaan en niet over bijvoorbeeld attitude. ‘Dat ontwikkel je veel beter als jouw eigen school aan de slag gaat met een actueel thema dat speelt in je eigen omgeving.’ Ook bij deze debatronde komen de voor- en tegenstanders nader tot elkaar in de nazit. ‘We vinden in ieder geval allemaal dat er meer burgerschap in het curriculum moet komen’, concludeert een van de deelnemers. ‘Hoe of wat is nog een tweede, maar dat is al heel fijn.’ De uitsmijter komt van een van de practoren. Chris Holman vindt dat elke school een ‘zelf opgelegde resultaatsverplichting voor burgerschapsonderwijs’ moet aangaan. Een heldere visie over waar het met burgerschapsontwikkeling naartoe gaat. Dat mag elke school zelf doen, want er is meer dan één waarheid. En dat laatste kan iedereen alleen maar beamen.